Categorie archief: Filosofische sprookjes

Koning zonder paleis

Er leefde eens een koning niet ver hier vandaan. Hij woonde heel gewoontjes in een Hollands dorpje met mensen uit allerlei windstreken en met heel diverse achtergronden. Deze koning was duidelijk een koning voor al deze mensen, ook al droeg hij misschien geen kroon en ook al bezat hij overduidelijk geen paleis.

De koning was koning omwille van zijn innerlijke kracht, zijn goedheid, zijn charisma en zijn hulpvaardigheid. Eenieder die hem tegen het lijf liep werd geraakt, het was alsof je wijsheid en liefde tegenkwam, maar dan in een menselijk gedaante. Hoe anders was dat bij koningen uit het verleden. Die angst inboezemden of hun macht en rijkdom lieten gelden, zodat zij precies daaraan ook hun gezag ontleenden. Maar zo niet deze, hij was mens onder de mensen. Hij ontleende zijn gezag aan zijn morele houding, zijn goede daden en zijn hartelijkheid tegenover iedereen die hij ontmoette.

Wat was zijn geheim? Welnu, de koning bezat van nature uiteraard een groot hart, maar er was nog iets anders aan de hand. Zijn goedheid kwam voort uit een soort onuitputtelijke bron die hij lang geleden had ontdekt, een soort fonteintje dat in hem opborrelde en wat hem overspoelde met goedheid, wijsheid en liefde. En wat altijd stroomde, mits hij zich er open voor stelde. En precies deze openheid voor het ‘goddelijke licht’, is wat hem tot koning maakte.

filosofische sprookjes voorspoed en belemmerende overtuiging

Voorspoed

Voorspoed

Voorspoed betekent leven zonder weerga, betekent leven in een tijd dat alles klopt. Waar je zelfs die vragen niet stelt. Want vragen dienen zich alleen aan in tegenspoed, als alles wat je wilt bereiken geen doorgang kan vinden.

Zo niet bij voorspoed, dat laat het zich lekker aanleunen. Het is voorspoed dat te keer gaat tegen het noodlot, dat een brede grijns trekt naar de hemel en iedereen met open armen ontvangt.

Hebben jullie al gehoord van die jongen die op zondag was geboren? Hij had het geluk aan zijn kont hangen, er was niet één ding wat hij niet in goud kon veranderen, er was niet één zaak die hij niet tot een goed einde kon brengen. Zo leefde hij te midden van voorspoed, wat zou het hem kunnen schelen, hem kon toch niks gebeuren, of toch?

Er leek een barstje gekomen in zijn onophoudelijk geluk. Dat barstje werd steeds groter tot het moment dat hij zelfs onzeker werd over zijn eigen kunnen. Nu zul je denken wat was het, dat hem deed keren?

De belangrijkste drempel was zijn eigen overtuiging. ‘Ik kan het vast wel’ werd ‘ik weet niet zeker of me dit gaat lukken’, en zo belandde hij in een negatieve spiraal. Hoe kon het zo ver komen? De moraal van dit alles bleef ongezegd. Hij was door de mand gevallen. Want zelfs in weer en wind kan er geen echte tegenslag bestaan, zonder dat hij daar zelf de oorzaak in had.

Wat nu te doen? Kon de jongen nog terug naar die glorieuze tijd. Hij wilde beslist maar zag niet hoe. Er kon immers niks aan gedaan worden, zo lijkt het. Of toch, was er wellicht een mogelijkheid, een opening?

Het antwoord was even bescheiden als simpel, hij moest niet langer twijfelen, zich overgeven aan het leven, aan de golven die hem omhoog brachten en daarna weer lieten vallen. Zo is het leven en zo is het ook goed.

boom van voorspoed

boom van voorspoed